DE TUIN VAN HET PARADIJS.
hool
e in
den
pt
ket
s te
nde
tere
veel
1 te
se?
ge-
rin
tien
dJien
zn
op
‘luis
ker,
het
die
ter;
vest
0ge
neer
VE
‚den
had
kunnen braden, en men deed dit dan werkelijk ook. ’t Prach-
tigst hert met hoog gewei stak aan het spit en werd langzaam
tusschen afgehouwen dennestammen omgedraaid. Voor ’t vuur
zat een lang en vierkant, wel op een verkleeden kerel
lijkend wijf en wierp het eene blok hout na het ander op de
rlammen.
„Kom maar binnen!” riep zij. „Neem plaats bij ’t vuur,
dat je kleeren kunnen drogen.”
„Maar het tocht hier zoo,” zei de prins en ging op den
grond zitten.
„Dat wordt nog erger, als mijne zoons thuis komen,” ant-
woordde de vrouw. „Ge zijt hier namelijk in het huis van de
vier winden der wereld; verstaat ge dat?”
„Wie zijn uwe zoons?”
„'t Is moeielijk te antwoorden, waar de vraag dom is,”
zeide de vrouw. „Mijne zoons vermaken zich op hun eigen
handje; ze spelen kaatsbal met de wolken in het pronkver-
trek.” Daarbij wees ze naar de hoogte.
„Ha zoo!” zei de prins. „Ge spreekt overigens vrij barsch
en zijt niet zoo beleefd als de dames. met wie ik anders te
doen heb.”
„Zoo hebt ge denkelijk niets anders te doen. Ik moet streng
wezen, als ik mijne jongens onder den duim wil houden; ik
kan dat gelukkig, schoon ’t brutale vlegels zijn. Ziet ge de
vier zakken, die daar aan den wand hangen? Daar zijn ze
bang voor, net als gij eens voor de roe achter den spiegel.
Ik kan de jongens klein krijgen, zeg ik je, en dan stop ik
ze in den zak, we maken hier geen omstandigheden. Ze zitten
er in en mogen eerst weer rondloopen, als ik dat goedvind.
Kijk, daar hebben wij den eenen !”
De noordenwind was het, die met ijzige koude binnentrad;
groote hagelsteenen huppelden op den vloer voor hem uif en
sneeuwvlokken stoven overal rond. Hij had broek en buis van